Ruimte voor werken
Uitwerking per aspect
In de onderstaande tabel zijn de verschillende aspecten binnen dit thema op drie manieren beoordeeld: de huidige staat, de referentiesituatie (de verwachte staat in 2050 als de gemeente het bestaande beleid voortzet), en de effectbeoordeling van de ontwerp-omgevingsvisie.
De huidige staat en de referentiesituatie laten zien hoe het aspect er nu voorstaat en hoe het zich zonder nieuw beleid waarschijnlijk zal ontwikkelen. Deze beoordelingen zijn uitgedrukt in vijf kwalificaties: slecht, matig, redelijk, overwegend goed en goed.
De effectbeoordeling laat zien wat het effect van de ontwerp-omgevingsvisie is ten opzichte van de referentiesituatie. Daarbij zijn vijf beoordelingscategorieën gebruikt: zeer negatief, negatief, neutraal, positief en zeer positief. In sommige gevallen is ook een zesde beoordelingscategorie gebruikt: positief*. In deze gevallen is de beoordeling positief, maar zijn er wel grote onzekerheden. Deze onzekerheden zijn onder de aspecten toegelicht.
Belangrijk is dat de effectbeoordeling alleen de verandering ten opzichte van de referentiesituatie weergeeft. Een positief effect betekent dus dat de ontwerp-omgevingsvisie een verbetering brengt ten opzichte van het bestaande beleid, maar niet automatisch dat het aspect in 2050 als geheel goed zal zijn. Bijvoorbeeld: als de referentiesituatie matig is en de effectbeoordeling positief, dan duidt dat op een verbetering, maar niet noodzakelijk op een goede of overwegend goede eindtoestand.
| Aspect | Huidige staat | Referentiesituatie | Effectbeoordeling |
|---|---|---|---|
| Energienetwerk | redelijk | redelijk | positief |
| Vestigingsklimaat | overwegend goed | overwegend goed | positief |
| Vestigingslocaties | matig | overwegend goed | negatief |
| Landbouwareaal | overwegend goed | redelijk | negatief |
Energienetwerk
Ingrepen
Binnen het thema ruimte voor werken behoren energienetwerk-gerelateerde ingrepen gericht op het verzwaren van het elektriciteitsnet, de ruimtelijke reservering voor energie-infrastructuur en de toelichting op lokale opwek en opslag. Concreet gaat het om netverzwaringen, de aanleg van extra hoogspanningsinfrastructuur (zoals een derde hoogspanningsstation), ondergrondse kabeltracés en mogelijkheden voor buurtbatterijen, gekoppeld aan de inzet van decentrale opwekking (zonne-energie op bedrijfsdaken en wind) en energiedragers.
Effectbeoordeling
Deze ingrepen leveren naar verwachting een positief effect op de referentiesituatie (2050). Het totale elektriciteit verbruik neemt toe door de transitie naar duurzame energie, een stijging van gebouwen en elektrificatie van bijvoorbeeld mobiliteit, waardoor netbewust bouwen en efficiëntie-maatregelen belangrijk zijn de druk op het net te beperken. De ingrepen vergroten het energie-aanbod vanuit decentrale opwek (zonne-energie op bedrijfsdaken, wind) en de investeringen in netverzwaring vergroten de capaciteit en verbeteren de transportcapaciteit bij terug levering, waardoor de exploitatie van het net robuuster wordt en opslag (buurtbatterijen) mogelijk toeneemt. Risico’s blijven bestaan in uitvoering en landelijke beleidswijzigingen die tempo en scope van netcongestie-aanpassingen beïnvloeden.
Vestigingsklimaat
Ingrepen
Ingrepen zijn gericht op een robuustere en aantrekkelijkere vestigingsomgeving zodat kantoren- en bedrijventerreinen beter benut worden en een toekomstbestendige leef- en werkomgeving ontstaat die samenwerken met economische partners ondersteunt. Deze ingrepen moeten het vertrouwen van ondernemers vergroten doordat er meer duidelijkheid komt over beschikbare ruimte, aansluiting tussen wonen, wonen-werken en voorzieningen, en een stabieler beleids- en investeringsklimaat. De ingrepen moeten dus zowel monitoring als concrete faciliteiten bieden die ondernemingsvertrouwen verhogen door minder onzekerheid over ruimte en toekomstbestendig ondernemen.
Effectbeoordeling
Op basis van de ingrepen wordt verwacht dat het vestigingsklimaat positiever uitpakt ten opzichte van de referentiesituatie (2050). Door gerichte transformatie van o.a. leegstaande kantoor- en bedrijventerreinen, een duidelijker ruimtelijk-economisch kader en betere verbindingen tussen wonen en werken, neemt de zekerheid en aantrekkelijkheid voor ondernemers toe. De grootste winsten ontstaan in gebieden waar ruimte en locaties voor bedrijven goed samenhangen met infrastructuur, kennisintensieve sectoren en gemengd wonen-werken. Grote aandachtpunten liggen in de samenhang tussen centrum- en schilgebieden en in dorpen waar beperkte schaal en bereikbaarheid kunnen belemmeren.
Vestigingslocaties
Ingrepen
Ingrepen zijn gericht op het versterken en ontwikkelen van vestigingslocaties: betere benutting van kantoren- en bedrijventerreinen, transformatie van leegstaande panden, een nieuw MKB-bedrijventerrein van ca. 45 hectare en gerichte positioning langs kennis- en innovatieroutes. Deze maatregelen zijn bedoeld om de kwaliteit en de kwantiteit van kantoor- en werklocaties te verbeteren, en leegstand te verminderen.
Effectbeoordeling
De voorgestelde ingrepen leveren naar verwachting een negatief effect op vestigingslocaties ten opzichte van de referentiesituatie (2050). De referentiesituatie voor 2050 toont dan wel een economisch vitaal Deventer, maar kent ook knelpunten zoals leegstand en een mismatch tussen aanbod en vraag. De ingrepen beogen deze kloof te dichten door gerichte locaties, transformatie en woon-werkmix. Echter is er nog geen locatie bepaald voor het nieuwe MKB- bedrijventerrein. Dit brengt onzekerheid met zich mee en vormt een risico voor de robuustheid van mogelijk positieve effecten. In perifere gebieden kunnen leegstand en vraagonzekerheden verder aanhouden zonder aanvullende gerichte maatregelen (zoals gerichte campagnes, subsidies of aanvullend toezicht op marktontwikkelingen).
Landbouwareaal
Ingrepen
De ingrepen zijn gericht op een balans tussen stedelijke ontwikkeling en behoud van agrarische waarde, met oog voor multifunctionele landbouw en ruimte voor werken langs de randzones. Hiervoor zijn gerichte ruimtelijke keuzes en multifunctionele landbouw als transitieroute voor het agrarisch gebied noodzakelijk.
Effectbeoordeling
De referentiesituatie voor 2050 laat zien dat het buitengebied onder druk staat door expansie en veranderende landbouwpraktijken, terwijl landschappelijke en cultuurhistorische waarden belangrijk blijven. De ingrepen leveren een negatief effect op het landbouwareaal ten opzichte van de referentiesituatie (2050), doordat ruimteclaims van woningbouw, stedelijke uitbreiding en andere functies leiden tot een verdere afname van landbouwgrond. Behoud en waar mogelijk versterking van agrarische functies of multifunctionele landbouw kan lokaal nog bijdragen aan kwaliteit en toekomstperspectief, maar dit weegt niet op tegen de structurele druk op het agrarisch landschap.